Taalvaardigheid: hoe maak je er werk van in je opleiding?

Waarom is taalvaardigheid relevant voor je opleiding? 

De UGent leidt studenten op tot scherpzinnige communicatoren. Dat is essentieel binnen onze netwerksamenleving. Studenten versterken hun communicatieve vaardigheden door tijdens hun studie aan academische en professionele taalvaardigheid te werken. De talige opleidingscompetenties situeren zich in veel opleidingen namelijk op die beide gebieden: een goede academische schrijfvaardigheid geldt als noodzakelijke voorwaarde om de decretaal verplichte masterproef tot een goed einde te brengen, en een gedegen professionele taalvaardigheid is noodzakelijk voor een taalcompetente beroepsuitoefening.

Daarnaast bepaalt het niveau van (academische) taalvaardigheid hoe succesvol studenten zullen door- en uitstromen. Een minder goede beheersing van de onderwijstaal, zowel Nederlands als Engels, belemmert namelijk kennisverwerving. Niet alle studenten zijn echter in staat om zich die vereiste taalvaardigheid zelfstandig eigen te maken tijdens hun studieloopbaan, waardoor ze ondersteuning nodig hebben.

Die taalvaardigheid van studenten versterken is een essentieel onderdeel van het structurele en integrale UGent-talenbeleid. Een performant talenbeleid zorgt er namelijk voor dat studenten succesvoller door- en uitstromen, en dat ze voldoende taalcompetent zijn voor de (beginnende) beroepsuitoefening. 

Wat verstaat de UGent onder academische en professionele taalvaardigheid? 

Het woord 'taalvaardigheid' krijgt vaak een enge invulling: velen denken (enkel) aan een correcte taalvorm, namelijk spelling, grammatica en interpunctie. De UGent kiest echter voor een brede invulling van zowel academische als professionele taalvaardigheid, en definieert beide begrippen in navolging van de Nederlandse Taalunie en de VLIR (Vlaamse Interuniversitaire Raad). 

Academische taalvaardigheid bestaat uit drie componenten: taalcognitie, vaardigheden en attitude. Die componenten vertonen een sterke samenhang: studenten kunnen ze niet los van elkaar verwerven en ontwikkelen.

  • De component ‘Taalcognitie’ omvat wat studenten impliciet en expliciet weten over academische taal: de kennis van de taal (bv. spelling, structuur, enz.), domeinkennis (bv. academische stijl, vakjargon, enz.), kennis van procedures (bv. strategieën om de opbouw van een argumentatie te doorgronden, enz.) en metacognitie (reflectie over eigen academische taalvaardigheid). 
  • De component ‘Vaardigheden’ behelst de vier vaardigheidsdomeinen die talige handelingen inhouden, namelijk lezen, luisteren, spreken en schrijven. 
  • De component ‘Attitude’ verwijst naar de houding tegenover academische taal(vaardigheid), al dan niet aangeleerd, in een academische context. Voorbeelden van attitudes met een positieve impact op academische taalvaardigheid zijn bereidheid om een academisch register te hanteren, nauwgezetheid, kritische zin, zelfreflectie, durf, enz. 

Professionele taalvaardigheid omvat de vereiste taalvaardigheid voor specifieke beroepsprofielen. Daaronder verstaat de UGent goede communicatie- en samenwerkingsvaardigheden, bv. helder communiceren met de doelgroep, binnen de eigen discipline en multidisciplinair, correct reageren op heikele kwesties, enz. Voorbeelden van die specifieke taaltaken staan onder ‘Hoe werk je aan taalvaardigheid in onderwijs- en leeractiviteiten?’ 

Hoe vertaal je academische en professionele taalvaardigheid in de opleidingscompetenties?

Taalvaardigheid als doel

Werken aan academische en professionele taalvaardigheid situeert zich binnen het vierde competentiegebied van het UGent-competentiemodel, namelijk ‘competentie in samenwerken en communiceren’. Enerzijds zullen alle opleidingen inzetten op academische schrijfvaardigheid, meestal in aanloop naar de masterproef (DS-0010). Anderzijds zijn er opleidingen die competenties formuleren in functie van het bestaande en toekomstige beroepsprofiel (DS-0003, DS-0015 en DS-0016).

Onderstaande voorbeelden tonen hoe een opleiding de specifieke talige opleidingscompetenties kan formuleren. Ook het geïllustreerde competentiemodel biedt inspiratie.

Uit de opleiding Wijsbegeerte: 

  • Mondeling en schriftelijk communiceren over het eigen wijsgerig onderzoek, met deskundigen en leken.

Uit de opleiding Wiskunde:

  • Eigen onderzoek, gedachten, ideeën, meningen of voorstellen binnen professionele activiteiten schriftelijk en mondeling presenteren (ook in een tweede taal). 
  • Mondeling en schriftelijk communiceren over nieuwe ontwikkelingen, onderliggende grondgedachten en oordeelsvorming binnen het vakgebied en de randwetenschappen met deskundigen en niet-deskundigen. 
  • Projectmatig werken in een wiskundige context: doelstellingen formuleren, gericht rapporteren, einddoelen en ontwikkeltraject in het oog houden. 

Uit de opleiding Diergeneeskunde, afstudeerrichting Gezelschapsdieren:

  • De resultaten van (eigen) wetenschappelijk onderzoek en klinisch onderzoek vlot schriftelijk kunnen communiceren naar beroepsgenoten en andere hoger opgeleiden in het Nederlands of het Engels. 
  • De resultaten van (eigen) wetenschappelijk onderzoek en klinisch onderzoek vlot mondeling kunnen communiceren naar beroepsgenoten en andere hoger opgeleiden in het Nederlands en het Engels. 
  • Op een bevattelijke manier wetenschappelijke en klinische informatie communiceren aan personen zonder een uitgesproken wetenschappelijke achtergrond met inbegrip van klanten in een diergeneeskundige praktijk met respect voor confidentialiteit en privacy.  
  • Communicatieve vaardigheden bezitten om te kunnen omgaan met moeilijke situaties (ontevreden klanten, slechtnieuwsgesprek, ...) in de praktijk. 

Taalvaardigheid als middel voor studievoortgang

Als opleidingen inzetten op academischetaalverwerving, dan kunnen ze vermijden dat een ontoereikende beheersing van de onderwijstaal de studievoortgang bemoeilijkt. Dat sluit aan bij de strategische doelstelling ‘talentontwikkeling’ (DS-0029). Die stelt onder meer dat een opleiding de in-, door- en uitstroom van studenten moet optimaliseren, met aandacht voor de diversiteit van de studentenpopulatie. Essentieel voor die academischetaalverwerving is heldere communicatie, zowel in geschreven als gesproken leermateriaal (DS-0020, DS-0021). Opleidingen zetten dus het best niet alleen in op de taalvaardigheid van studenten, maar ook op die van lesgevers. Een benadering vanuit studievoortgang schuift geen aparte opleidingscompetenties naar voren, maar toont aan dat taalcompetenties eigenlijk inherent zijn aan een aantal afzonderlijke opleidingscompetenties, bijvoorbeeld over toetsing, stages, kwaliteitszorg, internationalisering, diversiteit, enz.

Hoe werk je aan taalvaardigheid in onderwijs- en leeractiviteiten?

Vaak wordt taalondersteuning, in de vorm van taaltaken, extracurriculair aangeboden omdat dat haalbaarder en praktischer is. Onderzoek toont echter aan dat een geïntegreerde aanpak meer aangewezen is om de taalvaardigheid van studenten te versterken. Dat betekent dat taal in samenhang met inhoud geleerd en getoetst wordt, en dat doorheen het curriculum. Opleidingen bekijken hoe ze die integrale aanpak logisch kunnen opbouwen en implementeren en/of optimaliseren, idealiter in een leerlijn taalvaardigheid

Hoe bouw je zo’n leerlijn op? 

  • Bekijk allereerst of er voldoende draagvlak is binnen de opleiding.  Is dat nog niet het geval, dan kan je het draagvlak vergroten door de nood aan taalvaardigheidsontwikkeling aan te tonen via de operationele doelstellingen in de onderwijsmonitors, zowel op het gebied van academische schrijfvaardigheid als van professionele taalvaardigheid. 
  • Breng vervolgens de collega’s die de nood aanvoelen en die beslissingskracht hebben samen in een werkgroep. Geef als opleiding die werkgroep het mandaat om een leerlijn uit te bouwen.  Als dat niet mogelijk is, kan je de nood meenemen wanneer de opleiding een programmawijziging wil doorvoeren, of nadenkt over nieuwe leerlijnen. Een eerste taak van zo’n werkgroep bestaat eruit om de aandachtspunten op te sommen: welke middelen zijn er voorhanden? Specifieker gaat dat over inzetbaar personeel, lokaalbezetting, tijdsinvestering, ICT-ondersteuning, enz. Op basis van die analyse wordt duidelijk wat er praktisch haalbaar is.
  • Na die praktische voorbereiding gaat de werkgroep inhoudelijk aan de slag. De leden vertrekken vanuit de talige opleidingscompetenties, zowel academisch als professioneel, en linken die aan de startcompetenties. Die laatste moeten dus eerst duidelijk zijn: welke taalvaardigheid mag een opleiding verwachten van beginnende bachelorstudenten? De eindtermen van het secundair onderwijs kunnen een leidraad bieden. Daarnaast kiest de UGent ervoor om het vereiste minimumniveau van Nederlandse taalvaardigheid aan te tonen via de SIMON zegt-test. Een echte taaltest wordt afgeraden. Het gaat immers steeds om een momentopname en vaak kan een opleiding geen adequate remediëring aanbieden. Een betere methode is een taaltaak met concrete feed-up en feedback in de eerste weken van het academiejaar. Studenten moeten bijvoorbeeld een samenvatting schrijven van een kort wetenschappelijk artikel. Daarvoor krijgen ze duidelijke richtlijnen in de vorm van een overzicht en enkele uiteenlopende goede voorbeelden. Zo weten studenten welk taalvaardigheidsniveau van hen wordt verwacht.
  • Vervolgens brengt de werkgroep de bestaande taaltaken in kaart. Elke opleiding heeft namelijk sowieso al schrijf- en spreektaken geïntegreerd in het curriculum, ook buiten een taalvak, maar die moeten vaak nog op elkaar worden afgestemd. Leg de mogelijke overlappen en hiaten bloot, en zorg voor een verticale en horizontale opbouw. Verticaal betekent dat er elk jaar meer en moeilijkere taaltaken worden aangeboden; horizontaal betekent dat de samenhang van vakken waarin taalvaardigheid aan bod komt, helder is binnen eenzelfde modeltrajectjaar.
  • Zorg er daarnaast voor dat de taaltaken geschikt zijn. Voeg eventueel extra taaltaken toe.
    • Als je als opleiding wil inzetten op de kwaliteit van de masterproef, integreer dan academische schrijftaken in elk modeltrajectjaar. Zo oefenen studenten stapsgewijs het typisch academische taalgebruik, namelijk abstracte woordenschat gebruiken, cognitieve vaardigheden en logica inzetten, en verschillende bronnen combineren. Een voorbeeld daarvan vind je in de opleiding Biomedische wetenschappen:
      • Studenten schrijven daar in hun eerste jaar een zoekpaper. Ze kiezen zelf een onderwerp, zoeken naar wetenschappelijke bronnen en bakenen zo hun onderzoeksvraag af. Hun schrijftaak bestaat uit een beschrijving van hun zoekstrategie, de selectie van potentieel interessante artikels en een persoonlijke reflectie. 
      • In het tweede jaar krijgen ze een onderwerp opgelegd, bakenen ze hun onderzoeksvraag af en kiezen ze vijf primaire artikels. Op basis daarvan schrijven ze twee onderdelen van een wetenschappelijke review, namelijk materiaal en methoden, en de resultaten. 
      • In het derde jaar werken ze die onderdelen verder uit tot een volledige review, met abstract, inleiding, bespreking, conclusie, enz. 
    • Om professionele taalvaardigheid te trainen kan je als opleiding diverse beroepsspecifieke taalhandelingen inzetten waarbij de student aantoont rekening te kunnen houden met contextuele, sociale en pragmatische factoren. Voorbeelden van zulke authentieke leertaken vind je op het gebied van communicatie:
      • met de doelgroep: het slechtnieuwsgesprek, het advocaat-cliëntgesprek, enz.,
      • binnen de eigen discipline: verslag van vergaderingen, brief van de huisarts naar de specialist, enz.;
      • tussen verschillende disciplines: e-mailverkeer tussen kinesist, psycholoog, arts, enz. 
  • Integreer de taaltaken in bestaande opleidingsonderdelen. Zo werk je niet enkel aan de taalcompetenties an sich, maar ook aan de studievoortgang van de studenten. In het meest ideale scenario vertrek je vanuit de leerinhoud van een opleidingsonderdeel, en oefen je zo academische of professionele taalvaardigheid in. Als dat niet mogelijk is, kan een apart opleidingsonderdeel Academische taalvaardigheid een oplossing zijn. Essentieel daarbij is de koppeling met materiaal uit andere opleidingsonderdelen. Werken met aparte, eigen leerinhouden in zo’n aanvullend opleidingsonderdeel is minder succesvol: studenten zien het nut er niet onmiddellijk van in, en maken moeilijk de transfer.
  • Een leerlijn taalvaardigheid kan enkel succesvol zijn met een adequate begeleiding bij die diverse taaltaken. Leid de lesgevers daarom op in een taalontwikkelende didactiek. Die didactiek ondersteunt studenten in het taalverwervingsproces: docenten hebben idealiter niet enkel oog voor activerende, taalstimulerende werkvormen, maar ook voor talige feedback en evaluatie van taalvaardigheid

Hoe toets je taalvaardigheid?

Omdat examens in welke vorm dan ook steeds taalkennis vereisen, toets je taalvaardigheid eigenlijk impliciet in elk opleidingsonderdeel. Dat betekent echter niet dat je voor elke taalfout zomaar punten mag aftrekken. Dat kan enkel wanneer je in de studiefiche expliciet taalvaardigheid hebt opgenomen als eindcompetentie, en je die taalvaardigheid ook inoefent tijdens je les. 

Gebruik rubrics

Bij specifieke academische en beroepsspecifieke taaltaken waar correcte taalvorm in de eindcompetenties staat, bv. een presentatie of schrijftaak, mag je wel het taalgebruik evalueren.  Gebruik een rubric om  die evaluatie betrouwbaar te maken. Een rubric is een lijst van beoordelingscriteria met scores of kwaliteitsniveaus die aan die criteria worden gegeven. Voor academische schrijftaken kan je je laten inspireren door de UGent-schrijfwijzer.

Stem de evaluatie van talige competenties binnen de opleiding af 

Maak afspraken over de rubrics die je gebruikt. Zo gebeurt je evaluatie doorheen het curriculum uniform en betrouwbaar. Een leerlijn taalvaardigheid vereist namelijk gemeenschappelijke beoordelingscriteria en -instrumenten. Die laatste horen een terugkerend onderwerp te zijn op de opleidings- en toetscommissies. 

Organiseer daarnaast voldoende evaluatiemomenten: elke opleidingscompetentie moet minimum tweemaal getoetst worden. Een handig instrument om in kaart te brengen waar, hoe en welke aspecten van die opleidingscompetenties voorkomen in onderwijs en toetsing is de competentiematrix. 

Meer weten?

  • Berckmoes D. & Rombouts, H. (2010). Academische taalvaardigheid voor elke student. De meerwaarde van een taalmonitoraat op maat. In: D. Van Hoyweghen (red.), Naar taalkrachtige lerarenopleidingen. Mechelen: Plantyn.
  • De Wachter L., Heeren, J., Marx, S. & Huyghe, S. (2013). Taal: noodzakelijke, maar niet enige voorwaarde tot studiesucces. Correlatie tussen resultaten van een taalvaardigheidstoets en slaagcijfers bij eerstejaarsstudenten aan de KU Leuven. In: Levende Talen Tijdschrift Jaargang 14, nummer 4 
  • Herelixka C. & Verhulst S. (2014): ‘Nederlands in het hoger onderwijs; een verkennende literatuurstudie naar taalvaardigheid en taalbeleid’, in opdracht van de Nederlandse Taalunie
  • Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren & het algemeen secretariaat van de Taalunie (2013). Startnotitie Nederlands in het hoger onderwijs, Nederlandse Taalunie  
  • Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren (2015). Adviesrapport Vaart met taalvaardigheid. Nederlands in het hoger onderwijs, Nederlandse Taalunie 
  • VLIR-nota (2016). Talige startcompetenties voor het universitair onderwijs. 
  • Van den Branden, K. (2015). Onderwijs voor de 21ste eeuw. Een boek voor leerkrachten en ouders. Leuven: ACCO

Laatst aangepast 16 november 2021 11:01