Taalvaardigheid van studenten: wat mag je verwachten?

Welke taalvaardigheid mag je verwachten van je studenten, zowel voor Nederlands als voor andere talen? Hoe helpt de UGent hen die taalvaardigheid bij te spijkeren en hoe kan jij als lesgever daaraan meehelpen? En welke eisen mag je stellen aan hun e-mailgebruik? Deze onderwijstip helpt je verder. 

Welke taalvaardigheid mag je verwachten van instromende studenten? 

  • Voor alle Nederlandstalige bacheloropleidingen is een minimum beheersingsniveau B2 van het Europees Referentiekader (ERK) vereist als inschrijvingsvoorwaarde voor de vier vaardigheden (lezen, luisteren, spreken en schrijven), met uitzondering van de opleiding Bachelor of Arts toegepaste taalkunde waar een beheersingsniveau C1 geldt. Voorbeelden van taalvaardigheid op B2- en C1-niveau kan je vinden op erknederlands.org. Ook de eindtermen taalvaardigheid van het secundair onderwijs tellen als verwachte startcompetenties. 
  • Voor de masteropleidingen mag de faculteit het minimumniveau Nederlands en Engels zelf vastleggen. De opleidingscommissie moet daarvoor de taalvoorwaarden expliciteren aan de directie Onderwijsaangelegenheden, afdeling Studentenadministratie en Studieprogramma’s (zie ook: Onderwijs- en Examenreglement (OER), artikel 10). Als de faculteit die taalvoorwaarden niet expliciet maakt, dan geldt voor elke masteropleiding beheersingsniveau B2 van het ERK, voor onderwijstalen Nederlands en Engels. 

Wat doet de UGent voor de taalvaardigheid van instromende studenten? 

Beheersingsniveau B2 van het ERK blijkt vaak onvoldoende om na het eerste jaar succesvol door te stromen. De UGent zet daarom in op: 

  • een taaltest academisch Nederlands, als onderdeel van SIMON zegt. Die test meet de cognitieve vaardigheden op het gebied van structuur, woord- en tekstbegrip en vormcorrectheid. In het feedbackrapport krijgen de studenten linken naar remediëringstrajecten, bijvoorbeeld Alice-taal of naar de academische schrijfcentra van de UGent, namelijk Taalonthaal (voor teksten in academisch Nederlands) of (c)ENTER (voor teksten in academisch Engels). Die schrijfcentra zijn een initiatief van DOWA-talenbeleid. Ook andere bestaande taalvaardigheidstesten, bijvoorbeeld de hbo-taaltoets, kan je inzetten om studenten te wijzen op het vereiste taalvaardigheidsniveau. 
  • een zelfstudiepakket ALICE-taal. Daar kunnen studenten hun academische woordenschat verruimen, hun inzicht in tekststructuur en tekstbegrip vergroten en hun kennis over de Nederlandse spelling, grammatica en taalzorg opfrissen. 

Wat kan jij als lesgever betekenen voor de taalvaardigheid van instromende studenten?  

  • Wees je vanaf les 1 bewust van je eigen taalgebruik, en hanteer een taalontwikkelende didactiek.
  • Integreer taaltaken in het eerste semester van het eerste jaar. Een voorbeeld daarvan is het project ‘academisch wiskunde-Nederlands’ aan de Faculteit Ingenieurswetenschappen en Architectuur. Dat project wordt geïntegreerd in de eerste drie herhalingsweken van eerste bachelor. De nadruk ligt op het formuleren van een logische redenering, niet op spelling en grammatica. De docent neemt doelbewust examens met open vragen af om de studenten dan ook te quoteren op hun taalgebruik, voornamelijk op de structuur van hun antwoord. Meer info krijg je van prof. dr. Hennie De Schepper
  • Haal inspiratie uit de nota Talige startcompetenties voor het universitair onderwijs. Die nota bevat een theoretisch luik dat in een bijlage wordt toegelicht met concrete voorbeelden uit lesmateriaal. 
  • Verwijs studenten voor taaltesting door naar het universitair talencentrum van de UGent (UCT). 

Welke voorkennis Frans, Engels en Duits mag ik verwachten van mijn studenten? 

  • Ga er in het algemeen van uit dat de studenten de eindtermen Frans van het secundair onderwijs verworven hebben. 
    • Wil je Franse teksten opnemen als illustrerend lesmateriaal? Dan mag je er zonder meer van uitgaan dat studenten die begrijpen. 
    • Wil je Franse teksten gebruiken om inhoud aan te leren? Dan moet je in je studiefiche aangeven welke kennis van het Frans je verwacht bij de begincompetenties van je opleidingsonderdeel. 
    • Wil je dat studenten academisch Frans op vakgebiedniveau verwerven tegen het einde van je opleidingsonderdeel? Dan moet je dat in je studiefiche aangeven bij de eindcompetenties van je opleidingsonderdeel. Wees je ervan bewust dat je de studenten in de onderwijs- en leeractiviteiten moet ondersteunen om dat academisch Frans te verwerven. Je mag die eindcompetentie dan opnemen in je evaluatie. 
  • Bovenstaande richtlijnen zijn ook van toepassing voor de voorkennis van het Engels. 
  • Wil je Duitse teksten gebruiken, hetzij ter illustratie hetzij om inhoud aan te leren? In beide gevallen moet je dat aangeven bij de begincompetenties van je opleidingsonderdeel, in je studiefiche. Kennis van het Duits is minder evident bij Vlaamse jongeren. 

Welke eisen mag je stellen aan de e-mails van studenten? 

De UGent heeft een gedragscode hoe studenten een correcte e-mail moeten schrijven. Verwijs studenten naar deze 10 regels. Wanneer studenten een ‘foute’ e-mail sturen, kan je kiezen voor een zachte of een harde aanpak: 

  • De zachte aanpak houdt in dat je een antwoord formuleert op de vraag van de student, maar dat je hem of haar erop wijst dat deze gedragscode bestaat.  
  • Bij de harde aanpak antwoord je niet op de vraag, maar stuur je enkel de hyperlink, met een expliciete verwijzing naar de tip(s) waartegen de student zondigt.  

Laatst aangepast 19 juni 2020 15:47