Heterogene studentengroepen: hoe ga je daarmee om?

Merk je tijdens je lessen of begeleiding sterke verschillen op binnen de studentengroep? Deze onderwijstip geeft een aantal praktische suggesties om op die heterogeniteit in te spelen.  

Wat zijn ‘heterogene studentengroepen’? 

Verschillende studentenkenmerken kunnen de oorzaak zijn van een heterogene groep. Het kan gaan om verschillen in voorkennis, studievaardigheden, interesses, vooropleiding, prestatieniveau, taalkennis, motivatie, sociaal-culturele context, (werk-)ervaring, enzovoort. Bedenk dat verschillen niet altijd meteen zichtbaar zijn of aan de oppervlakte komen. Ook schijnbaar homogene groepen kunnen erg divers zijn. Probeer te achterhalen hoe de groep is samengesteld en wat de aard is van de aanwezige verschillen.  

Hoe ga je om met algemene heterogeniteit? 

Uiteraard moet de heterogeniteit van studentengroepen niet alleen een aandachtspunt zijn van individuele lesgevers, maar moet die ook vanuit opleidingsperspectief bekeken worden. Als te grote verschillen het behalen van de eindcompetenties of opleidingscompetenties in het gedrang brengen, signaleer je dat als lesgever best binnen de opleiding. Op opleidingsniveau kan dan bekeken worden welke overkoepelende maatregelen nodig zijn om beter om te gaan met de heterogeniteit. Toch kan je als individuele lesgever ook al heel veel betekenen om zoveel mogelijk studenten aan te spreken. Je kan namelijk inspelen op verschillen door te variëren in inhoud, lesactiviteiten en leermateriaal.  

Variatie in inhoud 

  • Zorg ervoor dat studenten met verschillende voorkennis en achtergrond zich aangesproken voelen. Voorzie bovenop een gemeenschappelijk pakket aan leermateriaal en leeractiviteiten waarin de basisleerstof vervat zit, mogelijkheden voor studenten waar ze extra uitleg en herhaling of verdieping en uitbreiding kunnen vinden. Maak de studenten wel steeds duidelijk wat de kern is en wat verdieping of verbreding is. Dat kan je bijvoorbeeld doen door je verwachtingen voor evaluatie helder te maken. 
  • Geef voorbeelden uit verschillende settings. Zo voelen studenten met verschillende interesses en voorkennis zich aangesproken. Je kan studenten ook zelf casussen of voorbeelden laten aanbrengen vanuit hun eigen ervaring of referentiekader. Of laat studenten met verschillende voorkennis per twee het antwoord laten zoeken op een vraag. 
  • Je kan theorie vanuit verschillende invalshoeken aanbrengen en bespreken. Verder kan je een gastspreker of ervaringsdeskundige uitnodigen of studenten zelf vanuit hun ervaring of perspectief aan het woord laten.  
  • Als je nog een stap verder wil gaan en heel sterk wil inspelen op de aanwezige verschillen, dan is een interdisciplinair groepswerk organiseren waarin je de sterktes van elke student aanspreekt misschien wel iets voor jou. 

Variatie in lesactiviteiten 

  • Voorzie voldoende afwisseling in werkvormen die je gebruikt tijdens je lesactiviteiten. 
  • Je zorgt voor heel wat afwisseling door in je lessen vragen te stellen, interactie te creëren, ruimte te laten voor discussie, naast theorie ook aandacht te hebben voor toepassingen en oefeningen, een kleine anekdote te vertellen of voorbeelden te geven. 
  • Een andere mogelijkheid zijn lesactiviteiten via blended learning of flipped classroom. Die organisatievormen hebben als voordeel dat studenten meer de kans krijgen om bepaalde leerinhouden volgens eigen tempo te verwerven. Denk wel goed na over welke inhouden je de studenten op voorhand zelfstandig laat doornemen en welke je tijdens de les behandelt.  

Variatie in leermateriaal en media 

  • Differentieer in je leermateriaal. Maak duidelijk wat de inhouden en materialen zijn die nodig zijn om de eindcompetenties van jouw opleidingsonderdeel te halen, en wat de aanvullende inhouden en materialen zijn, bedoeld als uitbreiding of verdieping. Je kan bijvoorbeeld aangeven welke oefeningen extra zijn of een extra reader met artikels ter beschikking stellen.  
  • Varieer door het leermateriaal aan te bieden via verschillende media. Je kan bijvoorbeeld voor sommige oefeningen het bord gebruiken, voor instructies of theoretische uiteenzetting een filmpje of kennisclip tonen, een powerpointpresentatie gebruiken om de structuur van je les duidelijk te maken … 

UDL of universeel ontwerp 

Bovenstaande tips om te differentiëren sluiten perfect aan bij de principes van Universal Design for Learning (UDL) of universeel ontwerp (UO). UDL/UO heeft als doel om de leeromgeving van bij het ontwerp toegankelijk te maken voor iedereen zodat aanpassingen en bijsturingen nadien niet nodig zijn.  

UDL/UO is een concept afkomstig uit de architectuur. Het gaat er vanuit dat wanneer een gebouw toegankelijk is voor gebruikers met een beperking, het gebouw ook gemakkelijker bereikbaar is voor een grote groep mensen. Het toegankelijk maken van bijvoorbeeld een perron voor rolstoelgebruikers zorgt er meteen ook voor dat het gemakkelijker toegankelijk is voor anderen zoals oudere mensen, kleine kinderen en kinderwagens, voor mensen die moeilijk te been zijn enzovoort. 

Het concept wordt ook toegepast op andere domeinen zoals onderwijs. Het doel is ook hier om van bij het ontwerp van je leer- en lesmateriaal en de aard van je lesactiviteiten rekening te houden met een divers studentenpubliek en het zo toegankelijk mogelijk te maken. Dat zorgt ervoor dat aanpassingen en uitzonderingsmaatregelen achteraf minder nodig zijn, al neemt het niet weg dat studenten met een functiebeperking nog steeds recht hebben op redelijke aanpassingen (zie Onderwijs- en Examenreglement, art.25 §2). 

Het SIHO (Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs) ontwikkelde een leidraad met concrete tips om leeractiviteiten en lesmateriaal in het hoger onderwijs digitaal toegankelijk te maken.  

Hoe ga je om met heterogeniteit door verschillen in voorkennis? 

Bij grote verschillen in voorkennis tussen de studenten kan je er ook voor kiezen om het gebrek aan voorkennis bij te (laten) spijkeren. Je tracht eerst heel concreet zicht te krijgen op welke informatie studenten nodig hebben en tegen wanneer. Vervolgens bied je de studenten mogelijkheden aan om de kloof te dichten. Dat kan op volgende manieren: 

  • Formuleer duidelijke verwachtingen aan de studenten. Maak bij de start van de lessenreeks naast de competenties die de studenten moeten bereiken, ook jouw verwachtingen van de voorkennis (het niveau dat bij de start aanwezig moet zijn) duidelijk. Leg uit wat jij van de studenten verwacht en wat zij van jou kunnen verwachten. 
  • Voorzie zelfstudiemateriaal. Wanneer een minderheid van de studenten over onvoldoende voorkennis beschikt, kan je instructies geven over hoe ze die kunnen bijschaven. Bied zelfstudiemateriaal aan om voorkennis op hun eigen tempo op te krikken. Zo kan je verwijzen naar het materiaal van een opleidingsonderdeel waarop je verder bouwt of naar boeken, bundels, filmpjes, lesopnames etc. die de noodzakelijke basisinformatie bieden. Stel dat materiaal indien mogelijk beschikbaar via de online leeromgeving. 
  • Laat studenten hun eigen voorkennis in kaart brengen. Bied zelftesten aan om hiaten in kaart te brengen voor jouw opleidingsonderdeel of les, en verduidelijk hoe ze die hiaten kunnen bijschaven.  
  • Voorzie herhalingsmogelijkheden tijdens een contactmoment. Zo krijgen meer studenten de tijd om de leerstof te verwerken.  
  • Voorzie een voorbereidende opdracht om gedeelde voorkennis te creëren of problemen te detecteren. Dat werkt enkel wanneer je de voorbereide opdracht daadwerkelijk bespreekt tijdens de les en wanneer je een duidelijke omschrijving en focus bij de opdracht voorziet. Vraag niet 'Lees dit hoofdstuk ter voorbereiding van de komende les', maar vraag 'Lees dit hoofdstuk vanuit deze invalshoek'. 
  • Maak gebruik van de peers. Via peer instruction kunnen studenten elkaar van extra uitleg en instructie voorzien. Ook wie uitleg geeft, leert hieruit. Door de leerstof in eigen woorden uit te leggen, te tonen aan anderen of in vraag te stellen, verdiepen ze hun kennis en vaardigheden.  

Laatst aangepast 11 september 2020 10:15