Studiefiches: hoe vul je ze correct in?

Studiefiches en Covid-19 in AJ 20-21

Hieronder worden de verschillende delen van de studiefiche in detail toegelicht. Het uitwerken van studiefiches voor AJ 20-21 is evenwel niet eenvoudig. We vatten hier alvast de specifieke aandachtspunten in het licht van de Corona-crisis even samen.

Hieronder wordt geen uitspraak gedaan wie welke rubrieken kan wijzigen en welke procedure moet gevolgd worden. 

Er werd een bijzondere procedure afgesproken waarbij de goedkeuring verloopt via de opleidingscommissie en de onderwijsdirecteur, en niet via de CKO en faculteitsraad. De deadline voor het invullen van de studiefiches is 15 september.

  • Algemeen: Boven elke studiefiche (versie zichtbaar voor de student) staat intussen wel standaard volgende zin in rood: 'Wegens Covid19 kan mogelijk afgeweken worden van de onderwijs- en evaluatievormen. Dergelijke afwijkingen zullen via Ufora worden gecommuniceerd.' In het kader van Covid-19 worden best details die omwille van de pandemie onzeker zijn achterwege gelaten.
  • Eindcompetenties: Indien de opleidingscommissie beslist heeft dat bepaalde eindcompetenties omwille van de COVID19-maatregelen niet konden worden aangeleerd/getoetst in 19-20 waardoor ze eenmalig in academiejaar 20-21 in uw opleidingsonderdeel worden aangeleerd/getoetst, dan vul je dit zeker aan in deze rubriek waarbij je de volgende tag gebruikt zodat dit na afloop van AJ 20-21 terug verwijderd kan worden : 'COVID19: ten gevolge van de Coronacrisis zal/ zullen voor het AJ 20-21 eenmalig volgende aanpassing(en) gebeuren: [invullen]’.
  • Didactische werkvormen: details worden best vermeden zodat de omschrijvingen ook nog kunnen gelden bij wisselende pandemieniveaus. Indien gewenst kan je ook het volgende melden: “omwille van COVID19 kunnen gewijzigde werkvormen uitgerold worden indien dit noodzakelijk blijkt”. Dit is een passe-partout formule die mogelijkheden biedt mocht er bv. een nieuwe (semi) lock-down komen.
  • Evaluatiemoment: Indien er op het ogenblik waarop je evaluaties hebt gepland beperkende maatregelen van toepassing zijn ingevolgde de strijd tegen COVID19 is het mogelijk dat je de geplande evaluatievorm niet zal kunnen handhaven. Je kan hierop reeds anticiperen door bij de toelichting bij de evaluatievormen reeds aan te geven hoe de evaluatie zal verlopen als dit zich inderdaad voordoet. Vergeet ook niet om hierover tijdig te communiceren via Ufora. Bij het vermelden van de evaluatievorm is het niet nodig om aan te geven of deze online of on campus zal plaats vinden.
  • Eindscoreberekening en eventuele bijzondere voorwaarden om te slagen: Het is belangrijk dat dit deel van de studiefiche goed is ingevuld. Ook hier is het niet noodzakelijk om alle extra specifieke informatie in de studiefiche mee te geven, dit kan ook via Ufora worden gecommuniceerd.

Algemene informatie over de studiefiche

Wat is een studiefiche en waarom is een goede studiefiche belangrijk? 

Een studiefiche is de inhoudelijke en organisatorische omschrijving van een opleidingsonderdeel in de studiegids.

Een studiefiche: 

  • Informeert. Toekomstige studenten kunnen via studiefiches achterhalen wat zij van het opleidingsonderdeel mogen verwachten, of ze kunnen 'zij-instromen', of ze recht hebben op vrijstellingen, of welke vakken ze willen volgen in het kader van een uitwisselingsprogramma.
  • Komt op het diplomasupplement. Delen van de studiefiche worden automatisch en integraal overgenomen op het diplomasupplement. Dat is een decretaal verplicht bijvoegsel bij het diploma. Het vermeldt de eindcompetenties, onder andere van elk opleidingsonderdeel waarvoor de student is geslaagd.
  • Is een bindende overeenkomst. Elke studiefiche is een contract tussen docent en student. Wat in de studiefiche staat, is bindend voor het volledige academiejaar. Bij conflicten, ombudszaken of beroepsprocedures wordt de studiefiche geraadpleegd en – in de meeste gevallen – ook gevolgd. Het is namelijk vaste rechtspraak van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen dat er tijdens het academiejaar, behoudens overmacht, niet meer van de studiefiche kan worden afgeweken.
  • Een studiefiche is een toetssteen voor de opleidingskwaliteit. Studiefiches vormen, tot slot, een belangrijke informatiebron om de kwaliteit van de opleiding te monitoren. De opleidingscommissie bewaakt dat de beoogde eindcompetenties in lijn zijn met de opleidingscompetenties, of de werkvormen geschikt zijn en of de evaluatie passend is.

Als lesgever moet je elk jaar je studiefiche(s) actualiseren. Op dat moment sta je opnieuw bewust stil bij wat je effectief aan de studenten wil overdragen, wat je wil dat studenten in jouw opleidingsonderdeel bereiken, hoe je dat wil doen en hoe dat alles past binnen het geheel van de opleiding. In sommige gevallen ondergaat de studiefiche een volledige metamorfose, maar in veel gevallen gaat het om minimale aanpassingen. Deze onderwijstip geeft extra ondersteuning bij het invullen van de studiefiche, in overeenstemming met het onderwijs- en examenreglement (OER) 2020-2021. Hieronder is de volgorde van de rubrieken aangehouden zoals die op de uiteindelijke studiefiches binnen de studiegids te zien is.  

Omwille van COVID19 zijn extra aandachtspunten met *** opgenomen.

Voor bijkomende informatie of met vragen kan je steeds terecht bij de Directie Onderwijsaangelegenheden, Afdeling Onderwijskwaliteitszorg. 

Je kan mogelijks nog bepaalde informatie van een vroegere studiefiche gebruiken. 

 

De studiefiche moet voor elk opleidingsonderdeel in het Nederlands én in het Engels elektronisch beschikbaar zijn in de studiegids. 

Rubrieken op de studiefiche

Cursusomvang 

  • Studiepunten (bv. 6) 
  • Studietijd (bv. 180u) = Het aantal uur dat studenten gemiddeld spenderen aan het volledige opleidingsonderdeel: het bijwonen van de onderwijsactiviteiten, voorbereidingen hierop, het eventueel uitwerken van opdrachten en het studeren/inoefenen ifv. de evaluaties. Decretaal is vastgelegd dat 1 studiepunt bestaat uit ten minste 25 en ten hoogste 30 uren voorgeschreven onderwijs-, leer- en evaluatieactiviteiten. Zorg dat de studiepunten bijgevolg overeenkomen met deze studietijd. Bv. 6 studiepunten = 180 uren studietijd. Bij externe stages moet bijvoorbeeld in het aantal uren studietijd ook rekening worden gehouden met zowel het uitvoeren van de stage (1 uur op stage = 1 uur studietijd), als het maken van een product, schrijven van een verslag, voorbereiden van en deelnemen aan een intervisie, etc, kortom: met het volledige proces.  
  • Contacturen (bv. 37,5u) = een schatting van het gemiddeld aantal uur (per student bekeken) les of begeleiding (individueel of collectief) dat door de lesgevers aangeboden wordt. Het gaat dus niet om de tijd die studenten spenderen aan studeren, opdrachten uitwerken, etc. maar aan wat aangeboden en omkaderd wordt door de lesgevers. Schrijf ook niet het totaal aantal uur op dat je voor les of begeleiding voorziet, maar maak een inschatting van de tijd die per student is voorzien. 

Onderwijsta(a)l(en) 

= Taal of talen waarin het opleidingsonderdeel wordt gedoceerd (te selecteren uit picklist).  

Indien de onderwijsactiviteiten van een opleidingsonderdeel volledig in 1 taal wordt aangeboden, selecteer je die ene taal uit de picklist. Indien echter een onderdeel van de lessen bijvoorbeeld in het Nederlands en een ander onderdeel in het Engels gedoceerd wordt (bv. bij gastsprekers of bij combinaties van Nederlandstalige en Engelstalige lesgevers) is het mogelijk om meerdere talen te selecteren. Ook bij vertaal- en tolkvakken kunnen de twee talen (Nederlands + vreemde taal) opgenomen worden omdat die steeds samen in de lessen aan bod komen.  

 

Je kan niet op de fiche bv. zowel Nederlands als Engels opnemen om dan ad hoc (op basis van de studenten die zich op dat moment aandienen) te beslissen om het opleidingsonderdeel ofwel in het Nederlands ofwel in het Engels aan te bieden. 

Trefwoorden 

= Een combinatie van maximaal 10 woorden waarmee de leerinhoud nauwkeurig wordt aangeduid.  

Situering 

= Beschrijf de plaats en het doel van het opleidingsonderdeel in de opleiding. 

bv. Deze cursus is een inleidende basiscursus en heeft als doel de studenten een overzicht te geven van de voornaamste richtingen en/of visies van de hedendaagse sociologie.   

Indien in het academiejaar '20-'21 ingevolge COVID19 het aantal studenten dat dit vak als keuzevak wil opnemen beperkt moet worden omwille van bijv. het veiligheidskader, minder werkplekken, ... dan moet dit onder de rubriek 'Situering' vermeld worden. Samen met een heldere en transparante procedure en de tag 'COVID19: ten gevolge van de Coronacrisis zal/ zullen voor het AJ 20-21 eenmalig volgende aanpassing(en) gebeuren: [invullen]’.  ***

Inhoud 

= Overzicht van de leerstof die wordt aangeboden.  

Tip:  Geef de leerinhoud weer in een lijst van onderwerpen of in een volledige tekst. Wees zo concreet mogelijk maar vermijd inhoudstafels.

Begincompetenties  

= Beschrijving van het geheel aan kennis, vaardigheden en attitudes die een student reeds moet verworven hebben om het opleidingsonderdeel met succes aan te vatten.  

  • Let op: slechts in uitzonderlijke gevallen wordt volgtijdelijkheid toegestaan (i.e. studenten kunnen niet inschrijven voor een opleidingsonderdeel als het voorafgaande opleidingsonderdeel niet met succes werd afgelegd). Die beslissing wordt per opleidingsonderdeel genomen door de Commissie Programma’s, na gemotiveerd advies van de faculteitsraad, op voorstel van de betrokken opleidingscommissie.
  • Gebruik bij voorkeur deze formulering: “Dit opleidingsonderdeel bouwt verder op bepaalde eindcompetenties van opleidingsonderdeel X” en verwijs niet naar alle eindcompetenties of enkel naar het opleidingsonderdeel (tenzij bij volgtijdelijkheid).
  • Sommige inleidende opleidingsonderdelen doen geen beroep op universitaire begincompetenties. Je vult hier dan niets in.
  • Indien je niet rechtstreeks naar voorgaande opleidingsonderdelen kan verwijzen, kan je de begincompetenties zelf formuleren. Voor meer uitleg over het formuleren van competenties: ga naar de rubriek ‘eindcompetenties’. 

Eindcompetenties  

= Beschrijving van het geheel aan kennis, vaardigheden en attitudes die door dit opleidingsonderdeel nagestreefd worden. 

Wat is een eindcompetentie en waaraan moeten eindcompetenties voldoen? 

Een eindcompetentie… 

  • bestaat steeds uit een inhoud en een gedrag (werkwoord) bv. ‘Mediatheorieën’ (=inhoud) linken aan politieke theorieën’ (=gedrag). 
  • vermeldt het eindgedrag van de student en niet het gedrag dat de student moet vertonen om tot dat eindgedrag te komen (dus geen leeractiviteiten of methodes) 

NIET: De capaciteiten ontwikkelen om onderzoek op relevantie en wetenschappelijke waarde te kunnen beoordelen. 

WEL: Sociologisch onderzoek op relevantie en wetenschappelijke waarde beoordelen.  

  • moet op zichzelf kunnen staan en van plaats gewisseld kunnen worden met andere competenties 

NIET: Standaardonderzoeksmethodes beoordelen op hun toereikbaarheid, relevantie en bruikbaarheid. Deze zelfstandig toepassen.  

WEL: Standaardonderzoeksmethodes beoordelen op hun toereikbaarheid, relevantie en bruikbaarheid.  

         Standaardonderzoeksmethodes zelfstandig toepassen.  

  • is zo beknopt en helder mogelijk geformuleerd 

NIET: De studenten zijn in staat om de basisbegrippen toe te passen, waardoor ze eenvoudige machtsproblemen kunnen herkennen en analyseren.  

WEL: Eenvoudige machtsproblemen herkennen en analyseren. 

  • kan moeilijker zijn naar gelang de complexiteit van de context, de inhoud, de mate van zelfsturing, en de aard van beheersing en is van het correcte niveau (academische bachelor/master) 

Verklaringsmodellen en benaderingswijzen van de algemene sociologie toelichten en toepassen.     vs. 

Verklaringsmodellen en benaderingswijzen van de algemene sociologie aanwenden bij het zelfstandig analyseren van complexe politieke problemen. 

  • omvat enkel het hoogste gedragsniveau  

NIET: Kennis hebben over het subjectief welzijn. Inzicht hebben in de relatie tussen subjectief welzijn en partijvoorkeur op lokaal vlak. 

WEL: De relatie tussen subjectief welzijn en partijvoorkeur op lokaal vlak beargumenteren. 

  • is bij voorkeur geschreven in de format van onderstaande voorbeelden 

Het verloop van Europese besluitvormingsprocedures toelichten. 

De rol van vrouwen in de lokale politiek kritisch benaderen. 

De dynamiek en structuur van conflicten in de derde wereld inschatten.  

Oplossingen voor problemen van transnationaal beheer beargumenteren.  

Een wetenschappelijk verantwoord en kwaliteitsvol rapport schrijven over een politiek project.  

Projectverloop, -resultaten en -oplossingen mondeling presenteren aan deskundigen.  

Samenwerken met deskundigen aan een politiek project over de Derde Wereld.  

Een verantwoord oordeel vormen over actuele politieke trends die zich vanuit het buitenland of het eigen land aanbieden als waardevol.  

Het eigen professioneel denken en handelen continu bijsturen en verbeteren.  

Getuigen van een kritische houding over de rol van de Europese Unie.  

 

Hoe formuleer je passende eindcompetenties voor jouw opleidingsonderdeel?  

Stap 1: INHOUD:  

Denk na over welke algemene/vakspecifieke kennis, vaardigheden én attitudes je belangrijk acht in dit opleidingsonderdeel (de kennis die centraal staat zal je waarschijnlijk reeds genoteerd hebben in de rubriek ‘inhoud’) Groepeer de inhouden eventueel, of plaats hen onder een gemeenschappelijke noemer indien deze opsomming te lang of te detaillistisch is. De eindcompetenties bevatten steeds inhoud en gedrag (zie hieronder). Zorg zeker dat elke competentie een inhoud bevat maar vermijd gedetailleerde oplijstingen van inhouden.  

 

Kennis  feiten, begrippen, inzichten, relaties, structuren, modellen 
Vaardigheden methodes, heuristieken, handelingen 
Attitudes  houdingen 

 

Stap 2: THEORETISCH / PRAKTISCH GEDRAGSNIVEAU

Noteer naast de inhouden wat studenten aan het einde van dit opleidingsonderdeel met de inhoud precies moeten kunnen doen. Om de theoretische/praktische gedragsniveaus te formuleren, vindt u hier alvast werkwoorden die betrekking hebben op reproduceren, inzicht verwerven, reflecteren en dynamisch affectieve of sociale vaardigheden:  

 

Reproduceren 

beschrijven, benoemen, definiëren, stappen aangeven, herkennen, opsommen, aangeven, aanwijzen, aanduiden, onderkennen, verwoorden … 

Inzicht verwerven  onderscheiden, uitleggen, verklaren, afleiden, voorspellen, beredeneren, verdedigen, samenvatten, aantonen, onderbouwen, beargumenteren, bewijzen, identificeren, bespreken, berekenen … 
Vaardigheden en reflecteren  evalueren, beoordelen, speculeren, aantonen, toepassen, origineel gebruiken, analyseren, vergelijken, inschatten, ontwerpen, selecteren, uitwerken, beargumenteren, creëren, creatief benutten, integreren, met elkaar in verband brengen, kritisch benaderen  … 
Dynamisch-affectieve en sociale vaardigheden 

getuigen van, zich bewust zijn van, aanvoelen, verkiezen, waarderen, aanvaarden, verkrijgen, vormen, aanpassen, samenwerken, zich tolerant gedragen, aandacht hebben voor, tonen, de houding hebben om … 

 

Stap 3: EIGENLIJKE FORMULERING:  

Formuleer op basis van de twee vorige stappen tussen de 5 en de 15 heldere competenties die u van studenten verwacht aan het einde van het opleidingsonderdeel.  

 

Stap 4: CONTROLE  

Ga na of je tevreden bent met deze opsomming en of deze opsomming de lading dekt. 

Hou voor ogen om alle eindcompetenties van het opleidingsonderdeel zo goed mogelijk na te streven en te toetsen. Aan de UGent is het wel mogelijk dat in een opleidingsonderdeel eindcompetenties worden beoogd zonder dat die worden getoetst (cf. toetsprincipes 1 en 2).

Voor alle eindcompetenties die op de studiefiche staan vermeld, worden onderwijs- en leeractiviteiten ingebouwd om studenten deze eindcompetenties bij te brengen, maar niet alle eindcompetenties hoeven per se binnen het opleidingsonderdeel getoetst te worden. 

  •  Wil je secuur nagaan of jouw toetsing goed is afgestemd op de geformuleerde eindcompetenties, dan kan je een toetsmatrijs opstellen.
  • Opmerking: Sinds academiejaar 2015-2016 kan je gevraagd worden de eindcompetenties van de cursus te koppelen aan relevante opleidingscompetenties van de opleiding(en) waarin de cursus voorkomt. De opleidings- of toetscommissies gaan na of alle opleidingscompetenties doorheen de opleiding in meerdere opleidingsonderdelen nagestreefd én (minimum 2 keer) getoetst worden. (Cf. Toetsprincipe 3)

 

Stap 5: COVID19 ***

Een volledige screening van de eindcompetenties in uw opleidingsonderdeel is sowieso aangewezen voor AJ 20-21. Structurele wijzigingen in eindcompetenties (toevoegen of verwijderen) hoeven niet in de COVID19-tag te staan, enkel eenmalige wijzigingen als gevolg van COVID19 (zie voorbeeld hieronder) krijgen hier een plaats. 

Bv. Indien de opleidingscommissie beslist heeft dat bepaalde eindcompetenties omwille van de COVID19-maatregelen niet konden worden aangeleerd/getoetst in 19-20 waardoor ze eenmalig in academiejaar 20-21 in uw opleidingsonderdeel worden aangeleerd/getoetst, dan vul je dit zeker aan in deze rubriek waarbij je de volgende tag gebruikt zodat dit na afloop van AJ 20-21 terug verwijderd kan worden : 'COVID19: ten gevolge van de Coronacrisis zal/ zullen voor het AJ 20-21 eenmalig volgende aanpassing(en) gebeuren: [invullen]’.  

Deze wijzigingen verdwijnen opnieuw in AJ 21-22.  

 

Bij een interne beroepsprocedure moet je kunnen aantonen dat de studenten de beoogde eindcompetenties niet (in voldoende mate) heeft behaald.

Toegankelijkheid via creditcontract/examencontract

Creditcontract 

Er zijn 3 mogelijkheden: open / toetsing / niet. 

  • open: indien de student de cursus kan opnemen als afzonderlijk opleidingsonderdeel zonder voorafgaande toetsing van de begincompetenties;
  • toetsing: indien de toetsing van de begincompetenties vereist is alvorens de cursus als een afzonderlijk opleidingsonderdeel te kunnen opnemen;
  • niet: indien de faculteit beslist dat deze cursus niet via creditcontract (afzonderlijk opleidingsonderdeel) zal worden opengesteld (sowieso is er geen creditcontract mogelijk voor bachelor- en masterproef. In uitzonderlijke gevallen kunnen ook andere opleidingsonderdelen uitgesloten worden voor inschrijving via creditcontract).  

Examencontract 

Er zijn 2 mogelijkheden: open / niet. 

  • open: indien de student het opleidingsonderdeel kan opnemen als afzonderlijk opleidingsonderdeel zonder voorafgaandelijke toetsing van de begincompetenties en de aanwezigheid in de les niet vereist is om de evaluatie(s) met succes te kunnen afleggen;  
  • niet: indien de aanwezigheid in de les vereist is om de evaluatie(s) met goed gevolg te kunnen afleggen, kan de faculteit beslissen de toegang niet open te stellen. De faculteit kan dit eveneens beslissen wanneer de aanwezigheid in de les strikt genomen niet vereist is. 

Didactische werkvorm(en) 

= Omschrijving van de vormgeving van onderwijs- en leeractiviteiten.  

  • Selecteer de werkvorm of een combinatie van werkvormen uit het glossarium “didactische werkvorm” in het OER die het best aansluiten bij de wijze waarop je het onderwijs vormgeeft. Een aantal werkvormen uit het bestaande glossarium zijn vanaf heden beschikbaar in een on campus en een online variant waaruit je kan kiezen. 
  • Je hebt de keuze uit: begeleide zelfstudie, (online) demonstratie, excursie,  (online) campus groepswerk, (online) hoorcollege, (online) integratieseminarie, kliniek, masterproef, microteaching, onderzoeksproject, online discussiegroep, PGO-tutorial, practicum, (online) project, stage, veldwerk, (online) werkcollege en zelfstandig werk.
  • De verklaring van bovenstaande termen is terug te vinden in het ‘glossarium didactische werkvormen’ dat je terugvindt in het OER.
  • Geef het aantal contacturen op dat je per didactische werkvorm inricht met het oog op 1 student (bv. hoorcollege 36u, begeleide zelfstudie 1u, online discussiegroep 0.5u). Zoals in de rubriek 'Situering' omschreven staat, moeten deze contacturen vanuit het standpunt van de docent bekeken worden, nl. wat bied jij als docent aan aan de individuele student?  

Bv. Stel dat een lesgever een rotatiesysteem voorziet waarbij elke student 1,5u on campus les krijgt en 3 uur online., dan vult de lesgever bij contacturen 3*1,5u in.

 

Toelichtingen (details) bij de didactische werkvormen 

Indien gewenst kan men de gebruikte werkvorm in deze rubriek verder verduidelijken.  

Bv. bij werkcolleges: “Legal clinic, met het bespreken en analyseren van casussen uit de rechtspraktijk.” 

Bv. het groepswerk bestaat uit een rollenspel (of simulatie of …) 

Indien gewenst kan je ook het volgende melden: “omwille van COVID19 kunnen gewijzigde werkvormen uitgerold worden indien dit noodzakelijk blijkt”. Dit is een passe-partout formule die mogelijkheden biedt mocht er bv. een nieuwe (semi) lock-down komen. ***

Leermateriaal en bijkomende kosten  

= Beschrijving van de verplichte leermiddelen voor dit opleidingsonderdeel, hun referentie, geraamde prijs, taal en eventueel de aanschafmogelijkheden. Ook bijkomende kosten die verbonden zijn aan het opleidingsonderdeel (laboratoriumbenodigdheden, excursies, enz.) worden hier aangegeven. 

  • Geraamde prijs: de geschatte maximale totaalkostprijs van het materiaal/activiteit. Het is verplicht om –minstens- een richtprijs te vermelden.  
  • Ook titel en/of referenties, de taal van het cursusmateriaal en de aanschafmogelijkheden worden vermeld. 

bv. Leerboekje ’10 principes van de Marxistische leer’ (Story Scientia, 2013) met fragmenten in het Duits (10 euro) af te halen in het secretariaat vanaf 15 oktober, Nederlandstalige syllabus elektronisch beschikbaar op de elektronische leeromgeving UFORA, software, …  

  • Opmerking: Het leermateriaal kan in een andere taal dan het Nederlands worden aangeboden. In dat geval wordt dit hier ook duidelijk vermeld. 

Referenties 

= Publicaties waarvan de lectuur wordt aanbevolen, maar NIET verplicht is. Dit kunnen ook elektronische bronnen zijn.  

bv. Valcke, M. (2015). Onderwijskunde als ontwerpwetenschap. Gent, Academia Press. 

bv. Tijdschrift voor Onderwijsrecht & Onderwijsbeleid 

 

Tip: Neem best enkel publicaties op die voor de studenten beschikbaar zijn in een UGent-bibliotheek of vermeld hoe ze de bronnen elektronisch kunnen raadplegen. 

Vakinhoudelijke studiebegeleiding 

= Vormen van vakinhoudelijke ondersteuning aan studenten bij de verwerking van de leerstof en het bereiken van de eindcompetenties. 

bv. Interactieve ondersteuning via UFORA (forums, e-mail), persoonlijk: op elektronische afspraak, vast spreekuur: elke woensdag van 10u-12u. 

Je kan hier indien gewenst (maar het hoeft niet) aanvullen dat ondersteuning/afspraken ook via MS Teams kan gaan indien noodzakelijk omwille van COVID19.***

Evaluatiemomenten 

= Moment waarop de prestaties van studenten geëvalueerd worden 

  • Selecteer of het gaat om periodegebonden (PGE)(tijdens de examenperiodes) en/of niet-periodegebonden evaluatie (NPGE)(regelmatige evaluatie tijdens het academiejaar).  
  • Opmerking: Bij niet-periodegebonden evaluatie dien je de frequentie, de vorm en -bij een combinatie van PGE en NPGE- de berekeningswijze uitdrukkelijk te vermelden (dit is de verhouding  tussen PGE en NPGE in het eindcijfer, of de manier waarop  beide delen een plaats krijgen in de eindscoreberekening). De vorm kan je specificeren in de rubriek “Evaluatievormen bij niet-periodegebonden evaluatie”. De frequentie en de berekeningswijze in de rubriek ‘Toelichting bij de evaluatievormen’ (zie verder). 

 

Evaluatievorm(en) bij periodegebonden evaluatie in de eerstekansexamenperiode (eerstesemester en/of tweedesemesterexamenperiode) 

= Beschrijving van de vormgeving en inhoud van de evaluatieactiviteiten 

  • Selecteer de evaluatievorm of een combinatie van evaluatievormen uit het glossarium “evaluatievormen” in het Onderwijs- en Examentreglement die het best aansluiten bij de wijze waarop je evalueert.   
  • Je hebt de keuze uit: gedragsevaluatie op de werkvloer, masterproef, mondeling examen, openboekexamen, participatie, peer-evaluatie, portfolio, schriftelijk examen met meerkeuzevragen, schriftelijk examen met open vragen, simulatie, vaardigheidstest, verslag en werkstuk. Het spreekt voor zich dat niet alle termen van toepassing zijn op periodegebonden evaluatie.  
  • De verklaring van bovenstaande termen is terug te vinden in het ‘glossarium evaluatievormen’ dat je terugvindt in het Onderwijs- en examenreglement

 

Evaluatievorm(en) bij periodegebonden evaluatie in de tweedekansexamenperiode 

  • Idem als hierboven, maar dan voor de tweedekansexamenperiode.
  • Opmerking: De evaluatievorm is in principe in de eerste en tweede examenperiode dezelfde. U hoeft in dat geval eigenlijk niets in te vullen in deze rubriek. Voor “gemotiveerde uitzonderingen” echter kan per examenperiode een andere evaluatievorm gepland worden.  

 

Evaluatievormen bij niet-periodegebonden evaluatie 

Idem als hierboven, maar dan voor de niet-periodegebonden evaluaties. (Het spreekt voor zich dat niet alle termen van toepassing zijn op niet-periodegebonden evaluatie.) 

 

Tweede examenkans in geval van niet-periodegebonden evaluatie 

= Is er een tweede examenkans mogelijk bij de niet-periodegebonden evaluaties? 

Selecteer: ja / nee / mogelijk in gewijzigde vorm 

 

Toelichtingen bij de evaluatievormen 

bv. “Tijdens 3 practica zal de participatie geëvalueerd worden. Data en criteria worden bekend gemaakt via UFORA.” 

bv. “Mondeling examen met schriftelijke voorbereiding. Op het examen worden naast algemene overzichtsvragen en meer specifieke detailvragen ook vragen gesteld over de actua-dossiers die studenten gedurende het hele semester moeten opvolgen. Voor de tweede zitexamens worden nieuwe actua-thema’s via UFORA bekend gemaakt.“ 

bv. “Beoordelingscriteria : Zie artikel 12 van het reglement i.v.m. de masterproef. Evaluatie van de scriptie door de promotor en twee commissarissen a.d.h.v. een beoordelingsformulier. Mondeling (verdediging) : 5 minuten presentatie, 20 minuten ondervraging. De promotor staat ter beschikking van de studenten voor feedback over de eindscore.” 

bv. “Het schriftelijk examen staat op 75% van de punten en het groepswerk na peer assessment op 25%. De lesgever behoudt de eindverantwoordelijkheid om af te wijken van of te beslissen geen rekening te houden met de peer assessment scores bij het bepalen van de cijfers per student voor het groepswerk” 

Covid19: Indien er op het ogenblik waarop je evaluaties hebt gepland beperkende maatregelen van toepassing zijn ingevolgde de strijd tegen COVID19 is het mogelijk dat je de geplande evaluatievorm niet zal kunnen handhaven Je kan hierop reeds anticiperen door bij de toelichting bij de evaluatievormen reeds aan te geven hoe de evaluatie zal verlopen als dit zich inderdaad voordoet. Vergeet ook niet om hierover tijdig te communiceren via Ufora. ***

Eindscoreberekening en bijzondere voorwaarden om te slagen 

  • Beschrijf bij een combinatie van periodegebonden en niet-periodegebonden evaluaties de berekeningsmethode waarmee het eindcijfer voor dit opleidingsonderdeel tot stand komt, en in het bijzonder het aandeel van PGE en NPGE in het eindtotaal. bv. “Combinatie van niet-periodegebonden evaluatie (participatie bij project, i.e. 40% van het eindcijfer) en periodegebonden evaluatie (schriftelijk -examen, i.e. 60% van het eindcijfer).”  

Verder moet deze beschrijving in principe niet gaan. Het is bijvoorbeeld niet verplicht om per evaluatievorm vast te leggen op hoeveel punten het staat (ut infra).

  • Leg hier ook de gevolgen van ongegronde afwezigheid of niet-deelname aan (een deel van) de evaluatie vast. 

bv. “Studenten die gewettigd afwezig zijn op bepaalde dagen van het practicum dienen de betrokken oefeningen op een ander tijdstip in te halen. Ongewettigde afwezigheid in het practicum geeft aanleiding tot een totaal cijfer (theorie + practicum) van maximum 7/20, ongeacht de punten voor het theoriegedeelte.” 

  • Beschrijf tenslotte alle andere bijzondere voorwaarden tot slagen of tot eindscorebepaling

bv. “Om het eindcijfer te bepalen worden de volgende wegingsfactoren gehanteerd: theorie: 5/9; oefeningen: 4/9 met dien verstande dat voor geen enkel onderdeel een tekort (minder dan 10/20) wordt behaald” 

bv. bij een groepswerk: “Indien er duidelijk een verschillende input is van de verschillende groepsleden, dan kan de eindquotering per student behorende tot eenzelfde groep verschillen.” 

bv. “De deadlines voor de paper moeten gerespecteerd worden. Indien niet, kan een punt van het totaal worden afgetrokken hierdoor.” 

 

  • Als de voorwaarde is dat de student effectief moet deelnemen aan alle onderdelen van het opleidingsonderdeel om te slagen:  

Opmerking: dit is enkel mogelijk voor vakken met twee of maximum drie onderdelen (bv. een luik praktijk en een luik theorie) 

Bv. "Wanneer men niet deelneemt aan de evaluatie van één of meer onderdelen kan men niet meer slagen voor het geheel van het opleidingsonderdeel en wordt het eindcijfer, indien dit hoger ligt dan 7/20, teruggebracht tot het hoogste niet-delibereerbare cijfer (7/20)."  

Reden: een student onttrekt zich in dit geval bewust aan het toetsen van de eindcompetenties waardoor een niet-delibereerbaar cijfer gerechtvaardigd is (tot nader order, we kunnen niet vooruit kijken op eventuele betwistingen voor de Raad maar het is wel een principe dat we willen verdedigen). 

  • Als de voorwaarde is dat de student voor alle onderdelen moet slagen om te kunnen slagen voor het geheel van het opleidingsonderdeel.  

Opmerking: dit is enkel mogelijk voor vakken met twee of maximum drie onderdelen (bv. een luik praktijk en een luik theorie), waarbij het slagen op de verschillende onderdelen noodzakelijk is. 

Bv. Wanneer men minder dan 10/20 heeft voor minstens één van de onderdelen kan men niet meer slagen voor het geheel van het opleidingsonderdeel. Indien de eindscore toch een cijfer van tien of meer op twintig zou zijn, wordt dit teruggebracht tot het hoogste niet-geslaagd cijfer (nl. 9/20). 

 

Sommige faculteiten zijn milder en verlagen de grens tot bv. 8/20 (nl. studenten die voor één van de onderdelen maximum 8/20 behalen), wat ook ok is. DOWA houdt echter de ‘10’ aan als advies maar de opleidingen mogen hier milder zijn. Volgend voorbeeld van differentiatie kan bijgevolg ook:  

Het eindcijfer is het gewogen gemiddelde van de verschillende onderdelen. Studenten kunnen voor dit opleidingsonderdeel enkel slagen wanneer ze voor alle onderdelen minimum 10/20 behalen. Wanneer studenten voor minstens één van de onderdelen minder dan 10/20 behalen dan gelden onderstaande regels: 

Indien men voor minstens één onderdeel van de evaluatie een 8/20 of 9/20 behaalt, kan men niet slagen voor het geheel van het opleidingsonderdeel. Als de eindscore toch een cijfer van 10 of meer op 20 zou zijn, wordt dit teruggebracht tot het hoogste niet-geslaagd cijfer, nl. 9/20.  

Indien men voor minstens één onderdeel van de evaluatie minder dan 8/20 behaalt, kan men niet slagen voor het geheel van het opleidingsonderdeel. Als de eindscore toch een cijfer van 8 of meer op 20 zou zijn, wordt dit teruggebracht tot het hoogste niet-delibereerbare cijfer, nl. 7/20. 

 

Dit voorbeeld is verdedigbaar want we mogen ervan uitgaan dat iemand die op een onderdeel 7 of minder op 20 behaalt voor een onderdeel de globale eindcompetenties van een opleidingsonderdeel niet heeft verworven.  

  • Een combinatie is uiteraard ook mogelijk:  

Bv. Wanneer men niet deelneemt aan de evaluatie van één of meer onderdelen kan men niet meer slagen voor het geheel van het opleidingsonderdeel. Indien de eindscore een cijfer van 8 of meer op twintig zou zijn, wordt dit teruggebracht tot het hoogste niet-delibereerbare cijfer (7/20).  

Wanneer men minder dan 10/20 heeft voor minstens één van de onderdelen kan men niet meer slagen voor het geheel van het opleidingsonderdeel. Indien de eindscore toch een cijfer van tien of meer op twintig zou zijn, wordt dit teruggebracht tot het hoogste niet-geslaagd cijfer (nl. 9/20). 

  • Indien u het cijfer voor niet-deelname niet wenst terug te brengen naar een 7/20 (i.e. niet-delibereerbaar cijfer), mag u hier ook van afwijken:  

Bv. Wanneer men niet deelneemt aan de evaluatie van één of meer onderdelen of minder dan 10/20 heeft voor minstens één van de onderdelen kan men niet meer slagen voor het geheel van het opleidingsonderdeel. Indien de eindscore toch een cijfer van tien of meer op twintig zou zijn, wordt dit teruggebracht tot het hoogste niet-geslaagd cijfer (9/20). 

 

Opmerking: Enige redelijkheid bij het formuleren van bijzondere voorwaarden tot slagen is nodig.  Bijzondere voorwaarden moeten verantwoord kunnen worden in functie van de eindcompetenties voor het opleidingsonderdeel en mogen niet in strijd zijn met billijkheid van evaluaties. Zo is het niet redelijk om bijvoorbeeld een 7/20 te geven bij niet-slagen voor één onderdeel indien de gemiddelde eindscore 10/20 of meer zou zijn omdat dit een dermate  zware impact heeft op de deliberatiebeslissing. Een deliberatiebeslissing gaat immers over het geheel van alle opleidingsonderdelen.

Wat evenmin kan, is het laagst behaalde cijfer geven. Hierover is er intussen ook vaste rechtspraak van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen: “Wat wel het risico loopt om onregelmatig bevonden te worden, is een evaluatiesysteem waarbij de score voor het overkoepelende opleidingsonderdeel volledig bepaald wordt door het laagst behaalde deelcijfer. Alle andere resultaten worden in deze werkwijze als het ware uitgewist. De eindscore moet voor de Raad niet per sé het gewogen gemiddelde van de verschillende stages zijn, maar het deelresultaat moet wel tot uitdrukking kunnen komen in het globale eindcijfer.” (K. Weis, 2018, Studievoortgangsbeslissingen in het hoger onderwijs, Politeia, p. 149).     

  • De eindscoreberekening is bij voorkeur dezelfde voor beide zittijden. Indien de eindscoreberekening van de tweede zittijd toch wijzigt ten opzichte van de eerste zittijd, dan wordt dit best ook meegedeeld zodat studenten voldoende op de hoogte zijn over de (verschillenden) eindscoreberekening in beide zittijden.
  • Indien er conform artikel 56§3 overdracht van deelcijfers mogelijk is over de zittijden van hetzelfde academiejaar heen, dan dient dit ook expliciet in de eindscoreberekening te worden opgenomen. Let wel: overdrachten zijn nooit mogelijk over academiejaren heen.  

Wat moet niet opgenomen worden in de studiefiche (maar wel in de lessen/via UFORA gecommuniceerd) 

  • Extra informatie over de scoreberekening: o.a. het al dan niet toepassen van hogere cesuur, de verhouding van de verschillende vormen van niet-periodegebonden evaluaties onderling (bv. 25% groepswerk en 25% participatie of groepswerk 30% en PA 10%); de gewichten van verschillende onderdelen in bv. in een schriftelijk examen (5/20 punten op theoretische vragen en 15/20 op cases). Dit wordt wel best meegegeven aan de studenten op het examenblad zelf of via UFORA maar moet niet in de studiefiche zelf staan. 
  • Een uitgebreide beschrijving van de examenvereisten of evaluatiecriteria (wel staan de eindcompetenties op de studiefiche) en eventuele gewichten van elk van die criteria.
  • Voorbeeldvragen. 

Faciliteiten voor werkstudenten (indien van toepassing) 

= Beschrijving van de faciliteiten voor studenten met een werkstudentenstatuut indien deze voorzien zijn in dit opleidingsonderdeel.  

bv. Mogelijkheid tot vrijstelling van aanwezigheid met vervangende opdracht na overleg met verantwoordelijke lesgever. 

bv. Mogelijkheid tot mondeling examen met schriftelijke voorbereiding op ander tijdstip binnen het academiejaar. 

bv. Mogelijkheid tot feedback na afspraak tijdens en na kantooruren. 

Meer weten?

  • Volg de Basisdocententraining van de Directie Onderwijsaangelegenheden (DOWA), afdeling Onderwijskwaliteitszorg. Die gaat dieper in op het doordacht invullen van studiefiches.
  • De institutionele ombudspersoon verzorgt regelmatig interactieve workshops over studiefiches invullen aan de hand van enkele ombudszaken. Nieuwsgierig? Bekijk alvast enkele fragmenten uit de Engelstalige workshop.
  • Heb je algemene inhoudelijke vragen over studiefiches? Neem dan contact op met:
  • Heb je specifieke inhoudelijke vragen over studiefiches? Stel je vraag dan aan de CKO-medewerker in je faculteit.
  • Heb je technische vragen bij het invullen of aanpassen van de studiefiches via https://oasis.ugent.be/? Dan kan je terecht bij Beatrijs Vermaere: 09 264 98 08.

Laatst aangepast 1 oktober 2020 15:24