Schriftelijk examen: open vragen

In deze onderwijstip maak je kennis met verschillende soorten open vragen, wanneer je die kan inzetten, hoe je een kwalitatieve open vraag opstelt en hoe je ze verbetert. 

Wat zijn open vragen? 

Open vragen zijn vragen waarbij de student zelf een antwoord moet produceren. Er zijn verschillende types open vragen, zoals invulvragen, korteantwoordvragen, essayvragen of casusgerichte vragen.  

Waarvoor zijn open vragen geschikt? 

De keuze voor een of meerdere evaluatievormen vertrekt vanuit de vraag wat je precies wil toetsen, m.a.w.: de eindcompetenties van je opleidingsonderdeel. Dat sluit aan bij het constructive aligment-principe, een basisprincipe voor kwalitatief onderwijs en kwalitatieve toetsing.  

Open vragen kunnen een ruime variëteit van kennis en vaardigheden evalueren, zoals: 

  • verklaringen uiteenzetten, 
  • informatie aanbrengen, 
  • een denkproces demonstreren, 
  • een standpunt innemen en motiveren, 
  • voorbeelden geven, 
  • originele of creatieve ideeën produceren, 
  • het argumentatievermogen demonsteren, 
  • de schrijfvaardigheid demonstreren. 

Hoe stel je een open vraag op? 

Vertrek vanuit de eindcompetenties 

  • Formuleer de vragen vanuit de eindcompetenties en niet enkel vanuit de leerinhoud. Een vraag kan de juiste leerinhoud bevragen, maar toch een verkeerde eindcompetentie toetsen. Bijvoorbeeld: Moet de student een verklaring uiteenzetten? Of: moet de student een mening formuleren? Of nog: moet de student een voorbeeld geven? Elk van die verschillende competenties vergen andere examenvragen. 
  • Weerspiegel de inhouden en eindcompetenties representatief in het examen. Hoe zwaar moeten de verschillende inhouden en eindcompetenties doorwegen in de evaluatie? Hoe belangrijker inhouden of eindcompetenties zijn, hoe meer examenvragen je opneemt. Met de toetsmatrijs stel je een evenwichtig examen samen en ga je na of het geheel van examenvragen inderdaad representatief is voor de inhouden en eindcompetenties die je wil toetsen.  

Formuleer je vraag kort en expliciteer je verwachtingen 

  • Splits – waar relevant – de vraag op in een informatiedeel en een vraagdeel: 
    • Het informatiedeel omvat informatie die nodig is om het probleem om te lossen en een referentiekader van waaruit de student moet redeneren. Vermijd zoveel mogelijk overtollige informatie. 
    • Het vraagdeel bevat een duidelijke probleemstelling die specifiek en concreet geformuleerd is. 
  • Maak duidelijk in de vraag welke verschillende onderdelen je in een antwoord verwacht en geef eventueel een indicatie van de verwachte omvang. Structureer voor in de gegeven antwoordruimte of aan de hand van de deelvragen.  
  • Vermijd ook woorden zoals mogen, kunnen, zouden, omdat die een mogelijkheid uitdrukken, geen duidelijke verwachting. Dus niet: Welke drie argumenten zou je kunnen aanbrengen om…, maar wel: Geef drie argumenten om… 
  • Tip!  Formuleer eerst het modelantwoord of de antwoordsleutel en pas daarna de vraag. Zo krijg je een duidelijk zicht op de antwoordelementen die je wil terugvinden. Je vraagstelling stem je dan af op die elementen. 

Ga voor vragen met een redelijke moeilijkheidsgraad 

Stel vooral vragen op met een redelijke moeilijkheidsgraad, afgestemd op de eindcompetenties van het opleidingsonderdeel en beperkt het aantal zeer moeilijke en makkelijke vragen.  

Hoe evalueer je een open vraag? 

  • Open vragen ken je best een score toe op basis van antwoordsleutels, nakijkschema’s of checklists. Zo standaardiseer je de evaluatie zo veel mogelijk. Geef aan:  
    • wat je goed, gedeeltelijk goed en fout rekent. 
    • hoeveel punten je koppelt aan elk criterium. 
    • hoe je de punten verdeelt bij een volledig of gedeeltelijk correct antwoord. 
  • Laat een collega vooraf de conceptvragen nalezen (cf. vierogenprincipe) of zelf eens oplossen. Vergelijk zijn of haar antwoorden met de antwoordsleutel en stuur vraag en antwoordsleutel eventueel bij.  
  • Na het examen verbeter je best een aantal examenkopijen en ga je na of het nodig is om de antwoordsleutel aan te passen. Pas daarna ga je verder met verbeteren.  
  • Verbeter per vraag en niet per examenkopij. Dat maakt dat de evaluatie van de eerste vraag niet de evaluatie van de volgende vraag kan beïnvloeden (cf. het zogenaamde halo-effect). 
  • Verdeel de examens onder meer evaluatoren. Het is zinvol om enkele examens samen te evalueren en onduidelijkheden te bespreken zodat je op een uniforme wijze verder apart kan evalueren. In de bundel Evalueren (zie ook: Meer weten?) vind je extra tips om met twee te evalueren.  
  • Evalueer de antwoorden van de studenten analytisch en holistisch. Deel het antwoord eerst op naargelang de opgestelde criteria in de antwoordsleutel en ga na hoeveel punten ze scoren per deelaspect (= analytisch evalueren). Evalueer daarna de globale kwaliteit van het antwoord met het oog op de eindcompetenties die je wilde toetsen (= holistisch of globaal evalueren). De eindscore baseer je in de eerste plaats op wat de antwoordsleutel oplevert, maar op basis van je globale evaluatie mag je van die (analytische) mathematische berekening afwijken (cf. toetsprincipe 2). 
  • Gebruik de volledige range aan punten die per vraag toegekend kunnen worden. Staat een vraag op vijf punten? Neig dan niet alleen naar score 3, of score 2 en 4, maar durf ook scores 0, 1 en 5 toekennen.  (cf. toetsprincipe 16). 
  • Richt je bij het verbeteren goed en uitsluitend op de zaken die je moet toetsen vanuit de eindcompetenties. Zorg voor een evenwichtige en redelijke puntenverdeling. Bijvoorbeeld: trek geen punten af voor een spelfout die losstaat van inhoud of eindcompetenties, zoals een dt-fout op een examen Fysiologie (cf. toetsprincipe 2). 
  • Ken geen punten toe aan antwoorden op open vragen naargelang de globale kwaliteit van de antwoorden van de hele groep studenten (cf. grading on the curve waarbij het groepsniveau de norm bepaalt). Baseer je scores op inhoudelijk redelijke normen die op hun beurt gebaseerd zijn op de eindcompetenties. Bijvoorbeeld: geef geen 2,5 op 5 voor een antwoord dat niet voldoet aan je inhoudelijke normen, omdat je merkt dat de algemene antwoordkwaliteit in de rest van de studentengroep erg laag ligt (cf. toetsprincipe 13). 

Meer weten? 

  • De bundel Evalueren bevat extra informatie over open vragen. 
  • Lees de bron waarop deze onderwijstip gebaseerd is: 
    • Van Berkel, H. & Bax, A. (2002). Toetsen in het hoger onderwijs. Houten/Diegem: Bohn Stafleu Van Loghum. 

Laatst aangepast 15 juni 2020 12:55