Masterproef: hoe begeleid je die?

Studenten schrijven op het einde van hun opleiding een masterproef. Als promotor of assistent heb je invloed op de kwaliteit daarvan door hen goed te begeleiden. Als begeleider vervul je hierbij drie rollen: opdrachtgever met duidelijke masterproefverwachtingen, feeder en evaluator. Die laatste rol staat uitgelegd in de onderwijstip ‘Masterproef: hoe evalueer je die?’  

Hoe formuleer je duidelijke verwachtingen? 

Als je verwachtingen voor de masterproef aan de student doorgeeft, is het belangrijk dat je je houdt aan het facultaire reglement, dat op zijn beurt afgestemd is met het UGent-brede onderwijs- en examenreglement (OER). Bekijk ook steeds of er geen bijkomende afspraken zijn opgesteld binnen je opleiding. 

Op basis van deze afspraken organiseer je een kennismakingsgesprek met de student. In dat gesprek expliciteer je de inhoudelijke, vormelijke en praktische afspraken. Voorzie ook tijd om te luisteren naar wat de student van jou verwacht. Vraag de student om zich daarop voor te bereiden. 

Inhoudelijke afspraken 

Vertrek vanuit de eindcompetenties voor de masterproef en wees transparant over de evaluatiecriteria. Dat zorgt zowel voor een gerichtere begeleiding als voor betere masterproeven. Gebruik de criteria die opleidingsbreed zijn opgesteld.  

Wijs de student erop dat het masterproefproces complex is, en dat er verschillende competenties nodig zijn: plannen, bronnen zoeken, lezen, (her)schrijven, reviseren, enz.  Ga na of de student vertrouwd is met wetenschappelijke zoekmachines, en bruikbare bronnen kan selecteren. Geef richtlijnen mee. Verwijs naar de leerlijn wetenschappelijke integriteit die elke UGent-opleiding verplicht aanbiedt. 

Laat de student motiveren waarom hij of zij kiest voor het onderwerp. Dat stimuleert het ownership, wat een positief effect heeft op de kwaliteit. Maak de student ook duidelijk welke mate van zelfstandigheid je verwacht. Welke beslissingen neem jij, welke beslissingen neemt de student? Bijvoorbeeld: geef jij al reviewartikels of moet de student die zelf zoeken? 

Vormelijke afspraken 

Licht de eisen op gebied van structuur, schrijfstijl, taalvorm, en referentie toe, bijvoorbeeld in een rubric zoals de UGent-schrijfwijzer. Gebruik voorbeelden om te concretiseren. Neem die eisen ook op als competenties in je evaluatiecriteria, waar dat relevant is. Dit filmpje demonstreert hoe jij of je studenten de UGent-schrijfwijzer concreet kunnen gebruiken. 

Praktische afspraken 

Geef een overzicht van de antwoorden op volgende vragen: 

  • Hoe moet de student de masterproef indienen (op papier en/of elektronisch)? Hoeveel versies lees je na? (zie ook onderwijstip ‘Masterproef: hoe evalueer je die?’) 
  • Hoe vaak kan de student bij jou terecht met vragen? Werk je met een (wekelijks) spreekuur of kan de student individuele afspraken maken? Is de begeleiding in het begin intensiever dan op het einde? Geef je je feedback steeds face-to-face of ook online? 
  • Wat gebeurt er als de student niets van zich laat horen? 
  • Wat is de deadline? Zijn er tussentijdse deadlines? 

Tussentijdse deadlines zorgen ervoor dat de student feedback kan verwerken. Leg ze vast in samenspraak met de student, zodat je rekening kan houden met stages, enz. Laat de student een planning opstellen waarin de verschillende deadlines zijn opgenomen. 

Op het einde van het kennismakingsgesprek kan je de student vragen om alle gemaakte afspraken vast te leggen in een begeleidingsovereenkomst. Zo ontstaat er later geen onduidelijkheid. 

Hoe geef je feedback op een masterproef?  

Naast opdrachtgever heb je ook een belangrijke rol als feedbackgever of feeder

  • Geef in een eerste gesprek algemene schrijftips voor het schrijfproces waarmee je de student erop wijst dat schrijven een complex proces is: 
    • Stimuleer de student om een bouwplan uit te schrijven. Dat zal in een later stadium de inhoudstafel vormgeven. Je dwingt zo om te structureren, verbanden te leggen en prioriteiten te bepalen.  
    • Geef de raad om gemakkelijke stukken voor moeilijke te schrijven.  
    • Maak de student attent op bestaande taalondersteuningsinitiatieven aan de UGent.  
    • Vertel ook over http://onderzoektips.ugent.be: dat platform helpt om bronnen te vinden, te beheren en te interpreteren. 
  • Laat de student de onderzoeksvraag formuleren of verfijnen. Ondersteun door verhelderende, concrete feedback te formuleren. Bijvoorbeeld: “Ik begrijp deze zin als… Is het dat wat je bedoelt?” of “Dus eigenlijk zeg je … Ik denk dat daar een stap ontbreekt, denk je niet?” Geef extra bronnenmateriaal als dat nodig is.  
  • Gebruik die verhelderende feedback ook wanneer de student stukken tekst indient, maar combineer die met impliciete corrigerende feedback. Bij dat soort feedback gebruik je codes om naar specifieke (evaluatie)criteria in bijv. een rubric te verwijzen. Naast codes kan je ook werken met gebundelde feedback, waarin je twee à drie concrete voorbeelden geeft die die feedback illustreren. Vermijd expliciet te corrigeren: de student zal niet veel leren wanneer jij de tekst herschrijft. 
  • Geef ook concrete positieve feedback: “Deze paragraaf heb je mooi gestructureerd.” Succeservaringen doen het zelfvertrouwen van de student groeien en verlagen eventuele schrijfdrempels. 
  • Lees maar één hoofdstuk grondig na als de tijd beperkt is. Zorg ervoor dat je de problemen op gebied van structuur, schrijfstijl, taalvorm, enz. duidelijk maakt: een student zal sowieso gelijkaardige fouten maken in de rest van zijn tekst. Geef die mee als feed-up

Meer weten? 

Laatst aangepast 14 juni 2020 19:27